Historie

vv Drenthina 70 jaar, een overpeinzing
Het moet een mooie zomeravond geweest zijn, dat een aantal Cocksianen, alsmede enkele aanhangers van de Hervormde Evangelisatie, bijeenkwamen in lunchroom Middelveld aan de Wilhel¬minastraat. Doel van het samenzijn was niet slechts het nuttigen van een koel glas bier, maar vooral het oprichten van een voetbalclub.  Immers, de jeugd in eigen kring bleek niet langer slechts tevreden te stellen met een stevige preek op zondag en de jongelingsvereniging op vrijdagavond.  Oplettende ouderlingen hadden honger naar de bal geconstateerd.  De voetbal¬sport hield geen halt meer bij de kerkdeur.  Dit was geen probleem, mits de zondag niet ontheiligd werd.  Op de verlokkingen van de wereld moest een passend antwoord komen.  De tijd was dus rijp voor de oprichting van een zaterdagvoetbalclub, of liever, van aan zaterdag¬middagvoetbalclub.  Immers, de vrije zaterdag kwam nog in geen enkele CAO voor en ook de scholen lieten hun leerlingen op zaterdag pas na het middaguur gaan.

Kort en goed, op deze avond van de 24-ste juni 1947, ging de kogel door de kerk. Kastelein Middelveld  zal nog wel een paar keer geroepen zijn om de glazen te vullen zodat men royaal kon klinken op het welzijn van de jonggeborene die met de heroïsche naam “Sparta” gedoopt werd.  Sparta herinnerde aan een stad in de Griekse Oudheid, waarvan de zonen onderworpen werden aan een keiharde opvoeding, vol ontberingen om ze te smeden tot mannen van staal.  Of de oprichters dit voor ogen stond is niet bekend, wel is het zo dat men tot voorbij het derde lustrum speelde op schoenen met van staal voorziene neuzen.  De KNVB ging met de naam “Sparta” niet akkoord, want die naam was in voetballand al te vaak gehoord.  Uiteindelijk werd gekozen voor de naam “Drenthina “, want je moet je afkomst niet verloochenen.

Huisvesting werd gevonden op het sportpark aan de Kerkhoflaan, welke accommodatie gedeeld werd met grote broer “Emmen”.  Opvallend was dat men elkaar nooit tegenkwam.  Drenthina had genoeg aan de maandagavond om te trainen en de zaterdagmiddag om te spelen. Zelfs werd overwogen de trainingsavond te schrappen, omdat het te duur werd.  Gelukkig overwon het gezonde verstand .  De club zou slechts een kort bestaan beschoren zijn geweest. Overigens was het niet zo dat met Drenthina een christelijke voetbalvereniging werd opgericht.  Een ieder was welkom, mits hij beloofde de bal niet te beroeren op zondag. 

Er werd aansluiting gezocht bij de VZC, de vereniging van zaterdagclubs, die bestond naast de VCV, de vereniging van Christelijke Voetbalclubs, waartoe o.a. ACV, Fit Boys en HZVV behoorden.  In de jaren zestig organiseerde de VZC z’n bekende toernooien op Hemelvaartsdag in Putten en Nijkerk, waaraan onder de bezielende leiding van de families Kip, Hof en Backers werd deelgenomen.  De meeste Drenthina-leden zagen er geen been in om op deze erkende christelijke feestdag de kicksen onder te binden.  Maar in sommige gezinnen werd het als “op het randje” beoordeeld.  Zo ook in het domineesgezin waarvan de zoons fervente voetballers waren.  In de regeling “een jaar op een jaar  af” werd een compromis gevonden.  En zo gold ook in een aantal andere families, wier norm de norm van de pastorie was, dat de zonen het ene jaar wel mee mochten en het volgende jaar thuis moesten blijven.
 
Sportief gezien ging het Drenthina goed. Nog voor de club 10 jaar oud was, in 1956, werd na felle strijd met DWP de derde klasse -Noord, destijds het Walhalla voor de zaterdagvoetballers bereikt. Op een ledenvergadering werd in die jaren de vraag gesteld, waarom Drenthina niet met een vast systeem speelde.  Het nu gehanteerde principe van: “lange halen naar voren” was uit de tijd. Het bestuur nam de kwestie op met de trainer, badmeester Schut. Het bepleitte het stopperspilsysteem. Vervolgens dronk men een glas, deed een plas en alles bleef zoals het was.
 
De trainer was in die beginjaren een beklagenswaardig figuur. Het duurde  tot ver in de jaren zestig, voor hij iets in de melk te brokkelen kreeg. De technische commissie vergaderde iedere maandagavond in een rokerige bijzaal van Huize Wielens en bepaalde, voor de kaarten werden geschud voor een kleintje klaverjas, in al haar voetbalwijsheid de opstelling voor de komende zaterdag. Slechts indien de stemmen staakten, bijvoorbeeld bij de vraag of de voorkeur moest worden gegeven aan de routine van Jan Wiggers of aan de het ongebreideld enthousiasme van de jonge Harry Spreeuwers, mocht de trainer de knoop doorhakken.          
 
De talenten van de individuele leden, bleven ook niet onopgemerkt bij de keuzeheren van diverse vertegenwoordigende elftallen. Zo hielden Yde  Heidstra, Jurrie Springer en doelman Henk Bakker de eer van Drenthina  hoog in het Noordelijk zaterdagelftal. Appie Schipper, die van de kolenboer, stond eens reserve bij een wedstrijd van het Drentse Bondselftal. Hij had kennelijk niet gerekend op een invalbeurt, want toen de trainer hem inzette had hij zijn voetbal¬schoenen nog niet aan. Om geen tijd te verspillen stapte hij toen op zijn bordeelsluipers, een eind jaren zestig zeer geliefde schoensoort, het veld in en speelde zo de wedstrijd uit.              
De eerste Bobo uit Drenthina-gelederen was Piet-Jan Hof. Hij werd tot dit hoge ambt geroepen nadat hij eerst vele jaren binnen de vereniging de dubbelfunctie van secretaris - penningmeester had bekleed, een periode waarin een eigen bankrekening nog een utopie was maar waarin het geld van de vereniging, verdeeld over vele sigarenblikjes, ten huize van de familie Hof  goed bewaard was. Binnen het bestuur van de DVB, de Drentse Voetbalbond, hield Hof het pluche van diverse stoelen warm, onder andere die waarop de keuzeheer gezeten was.  Boze tongen beweerden dat er wel erg vaak Drenthina-spelers in bondselftallen gekozen werden.  Onzin natuurlijk, trainers als Dolf Scholten en Henk Lourens, de man die met zijn heldere tenor zo gevoelig “de klok van Arnemuiden” kon vertolken, zorgden ervoor dat hun pupillen met sprongen vooruit gingen en dat zag Piet-Jan toevallig.
 
De tijd schreed voort. Huize Wielens, vast verzamelpunt, speelveld van de derde helft en ook de plaats waar menig aspirantje stiekem zijn eerste sneeuwwitje, of , nog gewaagder , pilsje dronk, werd afgebroken.  Men verhuisde, het was 1970, mee met Willem Datema naar café “het Praethuys” aan de Weerdingerstraat, waar “gehaktbal met pet” het meest geliefde voer was.
 
Emmen groeide als kool, en ook Drenthina pikte zijn graantje mee. Het sportpark aan de Kerkhoflaan was te klein en moest wijken voor horeca- en parkeerbestemming. De gemeente gaf het prestigieuze sportbeleid vorm middels de aanleg van het hypermoderne sportpark aan de Meerdijk. Het bestuur kreeg de keuze: of verhuizen naar dit nieuwe complex, waar efficien¬cy en schoonheid hand in hand gingen, of uitwijken  naar het knus gelegen maar veel eenvoudi¬ger sportpark aan de Oude Roswinkelerweg.  Uit de toen gemaakte keuze, bleek dat we een wijs bestuur hadden. 
 
Eenmaal gesetteld op de nieuwe locatie, drong zich ook de behoefte aan een eigen onderko-men op. Een oude barak werd opgeknapt en diende een viertal jaren als kantine. Meteen werd er een prijsvraag uitgeschreven om het bouwwerk een passende naam te geven. Waarschijnlijk is de doos met inzendingen zoekgeraakt, want tot op heden is ons clubhuis naamloos. Het door een kleine groep gebezigde “Harrie’s verjaardag” beklijfde niet.
 
Beheerder van het eerste uur was Harm Blom.  Door zijn zuinige aard (de koffie van vandaag kon morgen nog best een keer opgewarmd worden) spaarde hij zoveel geld voor de vereni-ging, dat hij als het ware de eerste steen legde voor het permanente onderkomen dat, in zijn eerste versie, precies 40 jaar geleden, in 1977 in gebruik werd genomen.                             
 
Met de komst van Roel Klaassens deed een heel nieuw type trainer zijn intrede. Was vroeger het rondjes lopen - op doel knallen - partijtje gebruikelijk, nu kwam er een weegschaal mee naar de training. Wie te zwaar was moest boeten.  De aan het sportpark grenzende Emmer Dennen bleken een ideaal terrein om conditie op te doen en onder luid gejuich werden keer op keer de duinen rond Haantjebak bestegen, liefst met iemand op je rug. Bij dit alles liep de trainer voorop, slechts op de voet gevolgd door de enige atleet die onze vereniging kende, en nog kent, al zo’n zestig jaar: Gerrit Smid.  Loopwonders als Watze van der Wal en Jan Huizing volgden op eerbiedige afstand.
 
Op 24 mei 1975 leverde genoemde Roel Klaassens zijn laatste stunt. Hij promoveerde met het eerste elftal naar de tweede klasse. Zo hoog had Drenthina nog nooit gespeeld.  De volgende jaren werden op sportief  gebied gekenmerkt door wisselend succes.  Dat Drenthina echt mee ging tellen bleek wel toen het, zoals elke grote club van tijd tot tijd schijnt te doen, eens halverwege het seizoen zijn trainer op straat zette. Een daartoe niet bevoegd maar naar eigen dunken uiterst bekwaam drietal onder leiding van Jan Groothuis wist de dreigende degradatie nog net af te wenden.
 
Met de groei van de vereniging namen ook de zorgen toe.  Diverse penningmeesters  moeten  ‘s nachts onrustig hebben geslapen of zelfs wakker gelegen, in het besef dat de kas leeg was maar de schuldeisers nog niet tevreden gesteld. Vele acties zijn er gevoerd om, zoals dat heette, de clubkas te spekken.
Zo was er in de tijd van het clubcafé ‘t Praethuys een doelpunten-actie. Niet alleen Drenthina-mensen, maar ook andere stamgasten verklaarden zich , wellicht  als gevolg van de consumptie van enige alcoholica weekhartig begaan met het lot van de club,  bereid een kwartje te betalen voor ieder doelpunt dat ons eerste maakte. Toen echter aan het eind van het seizoen de balans werd opgemaakt en bij diverse huishoudens de rekening van f 5,75 gepresen¬teerd werd ( het was een mager seizoen) werden velen, ontnuchterd, getroffen door een acute geheugenstoornis.  Ook de pennen-actie rond het 25-jarig bestaan lukte niet echt.  Dat wil zeggen, er werd zo ruim ingekocht dat de liefhebber desgewenst vandaag de dag nog probleemloos een paar dozijn kan afnemen. 

Nee, pas echt goed ging het toen Abatman op het idee kwam oliebollen te verkopen. Toen na een paar jaar Piet Doek sr. zijn geheime recept prijs gaf en de kwaliteit van de bollen tot de horse categorie kon worden gerekend, was het helemaal voor de bakker.

Al die oliebollen moeten Drenthina zo door de jaren heen al ruim anderhalve ton ( ja, in euro’s) opgeleverd hebben. Voeg daarbij de op¬brengst van het oud  papier, destijds met liefde gevleid door Harm Jan Kremer en tegenwoordig uit alle hoeken en gaten van Emmen vergaard door August Engel en zijn hulptroepen, de opbrengst van de sponsorlopen en diverse loterijen, en je overschrijdt per saldo met gemak het half miljoen. 

Daar moet op ons niveau een knappe spitsspeler voor aangetrokken kunnen worden. Maar bij Drenthina werd nooit betaald.  Het was slechts voor het mooie gras van het hoofdveld, de blauwe ogen van Geertje, de gehaktballen en de billijke prijs van het bier, dat begin jaren tachtig (het eerste elftal speelde weer op het vertrouwde niveau, de derde klasse,) een aantal ex-profs en topamateurs op leeftijd, eentje zelfs met een Ajax-verleden, besloot voor onze club te kiezen. Ineens werd de weg omhoog ingeslagen die helaas een abrupt einde kende in een dramatische beslissingswedstrijd in Steenwijk tegen Blauw-Wit’34 uit Leeuwarden.  De eerste klasse, destijds het hoogste niveau, was net niet bereikt. 
 
De daarop volgende seizoenen kenden sportief gezien een grillig verloop.  Zoals het een beetje voetbalclub betaamt, herbergde Drenthina ook een vijfde colonne.  Gevleugelde uitdrukkingen als: “D’r mot wat gebeur’n”  en : ”Wat dut ‘t bestuur?”, vonden hier hun oorsprong.  Toen, in 1992, de nood echt heel hoog was, de trainer opstapte en degradatie naar de vierde klasse een feit was daar Jan Casagrande, eerder al genoemd Groothuis, die zijn tanden in het eerste zette om pas twee seizoenen later, in de tweede klasse weer los te laten.  Drenthina-kenners beweren dat de beslissingswedstrijd in Assen tegen Omlandia , die de promotie mogelijk maakte, de beste is uit de clubgeschiedenis. Maar dat werd ook gezegd na de wedstrijd tegen DWP in 1956 en van de ontmoeting, begin jaren zeventig, waarin Cambuur op 1-1 werd gehouden. Geluk¬kig maar. Zo heeft iedere tijd z’n eigen helden. Of ze nu Rieks Fransen, Henk van der Weerd, Herman Fokkema, Koop Brink, Henk de Raaf , Cees Spaans, Patrick in ’t Veld, Jeroen Scheper, Bas Boersma of Mark Lubberts heten.
 
Trots konden we ook op de club zijn toen in 1995 van gemeentewege gedreigd werd om ons fraaie sportpark op te offeren en Drenthina te laten verhuizen naar de Meerdijk.  Een actieco-mité was snel gevormd. Gesteund door welhaast de voltallige vereniging en met bovendien adhesie uit onverwachte hoek( de Hervormde kerk uit Emmermeer) werd de bevolking van Emmen en de verantwoordelijke politici duidelijk gemaakt dat we dit helemaal geen goed idee vonden.  Op 1 juni van dat jaar zag de raadszaal van het gemeentehuis zwart van Groen-Wit getooide Drenthina-mensen die duidelijk maakten waar ze voor stonden. Ons gemeentebestuur bleek wijs.
 
Bij het vijftigjarig jubileum, in 1997 was het de toenmalige trainer Fokke de Jonge, gelukt door te dringen tot de eerste klasse. Dit leek echter iets te hoog gegrepen, want geleidelijk werd er in de volgende jaren afgedaald naar de derde klasse. De komst van de huidige trainer, Gerrie Benes zette de weg omhoog weer in. Er werd gepromoveerd naar de tweede klasse, ook het niveau van het komende seizoen. Maar in twee periodes werd er zelfs drie seizoenen in de eerste klasse gespeeld met als ultieme prestatie het spelen van P/D wedstrijden voor een plaats in de hoofdklasse in het seizoen 2010/2011.

Maar Drenthina is niet alleen het eerste. Het zijn ook de mannen op leeftijd van de lagere seniorenteams die met een onverzadigbare honger naar succes, schoon gehinderd door ongemakken van de oude dag, nog steeds hun partijtje meeblazen en aan het eind van het seizoen met de strijd om de Houthakkerscup de hoogmis van de kelderklasse vieren. Ja het zijn al die jongens en meiden, (het damesvoetbal heeft hier nu ook wortel geschoten) getalenteerd of helemaal niet, maar allemaal aangestoken door het voetbalvirus, die wekelijks het Groen-Wit dragen. Het zijn al die mensen die al lang niet meer tegen de bal trappen of het nog nooit gedaan hebben,  maar die  als vrijwilliger de lijnen kalken, de oliebollen bakken, het clubhuis verbouwen en onderhouden, de kleedkamers schoonmaken, het oud papier verzamelen, het bier verkopen, de club besturen en verder alles doen wat gedaan moet worden.
 
Dit was een vrij willekeurige tocht door de geschiedenis van de 70-jarige club. Soms ging het met twee passen vooruit en één weer terug. De geschiedenis van een prachtige club. Je mag er trots op zijn daar lid van te zijn!